ga naar de navigatie ga naar de inhoud

Opgelet!Schijnbaar begrijpt uw browser geen Cascading Style Sheets of u hebt e ondersteuning voor CSS uitgeschakeld. Dat is niet erg, maar besef dat u momenteel een andere lay-out ziet dan de ontwerpers van deze site bedacht hebben.

078 15 20 25
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
 

van uitgaan / vanuit gaan* / van uit gaan*

Vervoeging van het werkwoord uitgaan (van iets):

  • ik ga uit van, jij gaat uit van, zij gaan uit van
    ik ga ervan uit, jij gaat ervan uit, zij gaan ervan uit
  • … dat ik uitga van, dat jij uitgaat van, dat ze uitgaan van
    … dat ik ervan uitga, dat jij ervan uitgaat, dat ze ervan uitgaan
  • ik ging uit van, ze gingen uit van
    ik ging ervan uit, ze gingen ervan uit
  • … dat ik uitging van, dat jij uitging van, dat ze uitgingen van
    … dat ik ervan uitging, dat jij ervan uitging, dat ze ervan uitgingen
  • ik ben uitgegaan van
    ik ben ervan uitgegaan

In de combinatie uitgaan van iets schrijven we uitgaan aan elkaar omdat uitgaan een samengesteld werkwoord is. Of een werkwoord samengesteld is of niet, kunt u opzoeken in een woordenboek. In dit geval is uitgaan als afzonderlijk woord in de woordenboeken te vinden. Daarbij wordt ook de combinatie uitgaan van iets vermeld.

Samengestelde werkwoorden worden altijd aan elkaar geschreven, tenzij de twee delen (uit en gaan) gescheiden worden door andere woorden of de volgorde ervan gewisseld is.

  • Ik weet niet of je ervan uit kunt gaan dat hij komt.
  • Je gaat uit van het idee dat hij komt.

In de combinatie ervan uitgaan schrijven we ervan aan elkaar omdat ervan een voornaamwoordelijk bijwoord is. In dat geval kunnen we ervan vervangen door het oorspronkelijke voorzetsel van en een naamwoord.

  • Ze gaat ervan uit. (= ze gaat van iets uit, bijvoorbeeld van die veronderstelling)

Na ervan kan ook een dat-zin volgen. De dat-zin heeft in zulke zinnen dezelfde functie als een naamwoord.

  • Je kunt er niet van uitgaan dat hij komt. (= je kunt niet van iets uitgaan, zoals in: je kunt niet van zijn komst uitgaan)
  • Ik ben ervan uitgegaan dat hij komt. (= ik ben van iets uitgegaan, zoals in: ik ben uitgegaan van zijn komst)
  • Ik was er gisteren van uitgegaan dat Real Madrid zou winnen. (= ik was van iets uitgegaan, zoals in: ik was van de overwinning van Real Madrid uitgegaan)

Taaltelefoon
Spellingsregels: Combinaties met voorzetsels en bijwoorden

Taaladvies.net
Ervan uitgaan
Aaneenschrijven van combinaties met er, daar, hier en waar (algemeen)
Combinaties met er: loze voornaamwoordelijke bijwoorden (algemeen)

Pagina afdrukkenTip een collega over deze pagina
Gepubliceerd op 30 mei 2012. Laatst gewijzigd op 6 januari 2014