| |
Tegenwoordige tijd
- Gebruik voor de eerste persoon enkelvoud de stam.
| ik antwoord, ik dweil, ik hark, ik word |
- Gebruik voor de tweede en derde persoon enkelvoud de stam + t. Pas waar nodig de regels voor de spelling van klinkers en medeklinkers toe. → regel 4, regel 20, regel 21, regel 25
| jij antwoordt, jij dweilt, jij gaat, het gebeurt, zij harkt, u kaart, u laat, hij schrobt, hij skiet, het vliegtuig taxiet, hij verhuist, dat verkleurt, hij wordt, wordt u, u zeeft |
- MAAR: Schrijf geen -t als het werkwoord voor het onderwerp je of jij staat.
|
zonder -t antwoord jij - Antwoord je op alle vragen? - hark jij |
|
toch met -t Wordt je zoon ziek? (niet je maar je zoon is onderwerp in deze zin) |
- Gebruik voor de eerste, tweede en derde persoon meervoud de stam + en (of n). Dat is dezelfde vorm als de infinitief.
| wij antwoorden, wij doen, jullie dweilen, wij harken, zij worden, zij zien | | | Gepubliceerd op 11 mei 2009. Laatst gewijzigd op 12 april 2010
|
|