ga naar de navigatie ga naar de inhoud

Opgelet!Schijnbaar begrijpt uw browser geen Cascading Style Sheets of u hebt e ondersteuning voor CSS uitgeschakeld. Dat is niet erg, maar besef dat u momenteel een andere lay-out ziet dan de ontwerpers van deze site bedacht hebben.

078 15 20 25
 

Tegenwoordige tijd

  1. Gebruik voor de eerste persoon enkelvoud de stam.

ik antwoord, ik dweil, ik hark, ik word


  1. Gebruik voor de tweede en derde persoon enkelvoud de stam + t. Pas waar nodig de regels voor de spelling van klinkers en medeklinkers toe. → regel 4, regel 20, regel 21, regel 25

jij antwoordt, jij dweilt, jij gaat, het gebeurt, zij harkt, u kaart, u laat, hij schrobt, hij skiet, het vliegtuig taxiet, hij verhuist, dat verkleurt, hij wordt, wordt u, u zeeft


  1. MAAR: Schrijf geen -t als het werkwoord voor het onderwerp je of jij staat.

zonder -t
antwoord jij - Antwoord je op alle vragen? - hark jij

toch met -t
Wordt je zoon ziek? (niet je maar je zoon is onderwerp in deze zin)


  1. Gebruik voor de eerste, tweede en derde persoon meervoud de stam + en (of n). Dat is dezelfde vorm als de infinitief.

wij antwoorden, wij doen, jullie dweilen, wij harken, zij worden, zij zien

Pagina afdrukkenTip een collega over deze pagina
Gepubliceerd op 11 mei 2009. Laatst gewijzigd op 12 april 2010